Inzicht.pelsrijcken.nl maakt gebruik van cookies voor webanalyse en social media sharing. Google Analytics analyseert met behulp van cookies hoe de website wordt gebruikt. Daarnaast toont Inzicht.pelsrijcken.nl knoppen om informatie te delen op sociale media. Deze knoppen worden enkel weergegeven als u toestemming geeft cookies te plaatsen op uw computer. Meer informatie vindt u in ons privacy statement.
weigeren accepteren

Uitspraak 7: Relativiteitsvereiste

Het relativiteitsvereiste: wel belanghebbende en toch geen recht van spreken, belicht vanuit de Crisis- en herstelwetpraktijk

Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State 4 januari 2012, LJN: BV0106

Presentatie: Daniëlle Roelands-Fransen

Uitspraak   201104518/1/R4 en 201111577/1/R4 Datum uitspraak: 4 januari 2012

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Almere, 2. de vereniging Belangenvereniging Houdt Haven Groen (hierna: HHG), gevestigd te Almere, 3. [appellant sub 3], wonend te Diemen, 4. de vereniging Bewonersbelangenvereniging Kantershof (hierna: Kantershof), gevestigd te Amsterdam, 5. [appellant sub 5], wonend te Almere, 6. [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 6]), beiden wonend te Diemen, 7. de rechtspersoon naar Duits recht Commerz Real Investmentgesellschaft mbH (hierna: CRI), gevestigd te Wiesbaden (Duitsland), 8. [appellant sub 8A], wonend te Naarden, en [appellant sub 8B], gevestigd te Naarden (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 8]), 9. [appellante sub 9], wonend te Almere, 10. [appellante sub 10], gevestigd te Almere, 11. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Golfbaan Naarderbos B.V. (hierna: Golfbaan Naarderbos), gevestigd te Bussum, 12. [appellant sub 12], wonend te Almere, en anderen, 13. [appellant sub 13], wonend te Amstelveen, 14. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Haerzathe Investments II Monumenten B.V. (hierna: Haerzathe), gevestigd te Oldenzaal, 15. [appellant sub 15], wonend te Almere, 16. de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Interbest B.V., gevestigd te Breda, en Spectate B.V., gevestigd te Amsterdam (hierna tezamen en in enkelvoud: Interbest), 17. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Interkoop Properties B.V. (hierna: Interkoop), gevestigd te Maarssen, 18. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid JC Decaux Nederland B.V. (hierna: JC Decaux), gevestigd te Diemen, 19. [appellant sub 19], wonend te Ouderkerk aan de Amstel, gemeente Ouder-Amstel, en anderen, 20. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid KNSF Vastgoed II B.V. (hierna KNSF Vastgoed), gevestigd te Amsterdam, 21. [appellant sub 21], wonend te Muiderberg, gemeente Muiden, 22. [appellant sub 22], wonend te Ouderkerk aan de Amstel, gemeente Ouder-Amstel, 23. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid McDonald’s Nederland B.V., Vestiging A6 (hierna: McDonald’s A6), gevestigd te Amsterdam, 24. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid McDonald’s Nederland B.V., Vestiging A9 (hierna: McDonald’s A9), gevestigd te Amsterdam, 25. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Naarderbos Ontwikkeling B.V. (hierna: Naarderbos Ontwikkeling), gevestigd te De Bilt, 26. [appellant sub 26], wonend te Almere, 27. [appellant sub 27A] en [appellante sub 27B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 27]), beiden wonend te Naarden, 28. de naamloze vennootschap SRLEV N.V. (hierna: SRLEV), gevestigd te Alkmaar, 29. de stichting Stichting Aktie Gezondheid Gaasperdammerweg (hierna: Stichting AGG), gevestigd te Amsterdam, 30. de stichting Stichting A1-A10 Oost Beter Opgelost (hierna: Stichting OBO), gevestigd te Diemen, 31. de stichting Stichting Beschermers Amstelland (hierna: Stichting BA), gevestigd te Ouderkerk aan de Amstel, gemeente Ouder-Amstel, 32. de stichting Stichting Electrische Museumtramlijn Amsterdam (hierna: Stichting EMA), gevestigd te Amsterdam, 33. [appellant sub 33], wonend te Amstelveen, 34. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Unibail-Rodamco Nederland Winkels B.V. (hierna: Unibail-Rodamco), gevestigd te Amsterdam, 35. de naamloze vennootschap Manroland Benelux N.V. (hierna: Manroland), gevestigd te Amsterdam, 36. de vereniging Vereniging Manege de Eenhoorn, gevestigd te Diemen, en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Hock B.V., gevestigd te Amsterdam (hierna tezamen en in enkelvoud: Manege de Eenhoorn), 37. [appellant sub 37], wonend te Amsterdam, 38. [appellant sub 38], wonend te Almere, 39. [appellant sub 39], wonend te Muiden, 40. [appellant sub 40], wonend te ‘s-Graveland, gemeente Wijdemeren, 41. de vereniging Groot-Geerdinkhof Vereniging van Huiseigenaren en de stichting Stichting Natuurontwikkeling Bijlmerweide (hierna: Groot Geerdinkhof en Stichting NB), beide gevestigd te Amsterdam, appellanten,

en

de minister van Infrastructuur en Milieu, verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 maart 2011 heeft de minister krachtens artikel 15, eerste lid, van de Tracéwet, het tracébesluit weguitbreiding Schiphol-Amsterdam-Almere (hierna: tracébesluit) vastgesteld. Dit besluit is op 30 maart 2011 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], HHG, [appellant sub 3], Kantershof, [appellant sub 5], [appellant sub 6], CRI, [appellant sub 8], [appellante sub 9], [appellante sub 10], Golfbaan Naarderbos, [appellant sub 12] en anderen, [appellant sub 13], Haerzathe, [appellant sub 15], Interbest, Interkoop, JC Decaux, [appellant sub 19] en anderen, KNSF Vastgoed, [appellant sub 21], [appellant sub 22], McDonald’s A6, McDonald’s A9, Naarderbos Ontwikkeling, [appellant sub 26], [appellant sub 27], SRLEV, Stichting AGG, Stichting OBO, Stichting BA, Stichting EMA, [appellant sub 33], Unibail-Rodamco, Manroland, Manege de Eenhoorn, [appellant sub 37], [appellant sub 38] en [appellant sub 39] tijdig beroep ingesteld. Tegen dit besluit heeft voorts [appellant sub 40] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 oktober 2011, beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 14 september 2011 heeft de minister krachtens artikel 15b, eerste lid, van de Tracéwet het tracébesluit gewijzigd (hierna: het wijzigingsbesluit).

In reactie daarop hebben [appellant sub 8] en [appellant sub 27] hun beroepen aangevuld.

Groot Geerdinkhof en Stichting NB hebben binnen de beroepstermijn van het wijzigingsbesluit bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 november 2011, beroep ingesteld tegen het tracébesluit.

Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 en 30 november 2011, waar een aantal partijen is verschenen of zich heeft doen vertegenwoordigen. Ook de minister heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

2.1. Stichting AGG heeft ter zitting haar beroepsgrond over te compenseren parkeerplaatsen ingetrokken. Naarderbos Ontwikkeling en Golfbaan Naarderbos hebben ter zitting hun beroepsgronden over schade ingetrokken.

Het tracébesluit

2.2. Het tracébesluit voorziet – samengevat weergegeven – in uitbreiding van de weginfrastructuur in de corridor Schiphol-Amsterdam-Almere. Het betreft het aanpassen van ongeveer 63 kilometer autosnelweg op de A9, de A2, de A10-oost, de A1 en de A6, onder meer door uitbreiding van het aantal rijstroken en de realisatie van verbindingswegen, uitvoegstroken, wisselstroken en busbanen. Verder voorziet het tracébesluit onder meer in de aanleg van twee tunnels in de A9, de aanleg van een brug over het Amsterdam-Rijnkanaal, in een bypass van de A1 naar de A9, de aanleg van een aquaduct in de A1 ter hoogte van Muiden, de wijziging van een aantal knooppunten en het aanpassen van ongeveer 100 bruggen, viaducten en andere kunstwerken.

Het wijzigingsbesluit

2.3. Het wijzigingsbesluit betreft wijzigingen van het tracébesluit van ondergeschikte aard. Het heeft betrekking op een gewijzigde vaststelling van hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van de gevel van twee woningen aan de Amsterdamsestraatweg 77 en 79 te Naarden. Daarnaast is onder meer de hoogte van een geluidscherm langs de A1 te Muiden aangepast en zijn enkele tracékaarten gewijzigd vastgesteld.

Het wijzigingsbesluit is een besluit in de zin van artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, worden de beroepen tegen het tracébesluit – met uitzondering van het beroep van [appellant sub 40] dat eerst na de inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit is ingesteld – geacht mede te zijn gericht tegen het wijzigingsbesluit, nu dat besluit niet geheel aan de beroepen tegemoet komt.

Ontvankelijkheid van de beroepen tegen het tracébesluit

2.4. De minister stelt dat Manroland geen belanghebbende is bij het tracébesluit, omdat zij huurster is van het pand aan de Kuiperbergweg 50 te Amsterdam. Een huurster heeft volgens de minister een afgeleid belang en geen rechtstreeks belang bij het tracébesluit.

2.4.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.4.2. Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb vereist dat een rechtstreeks verband bestaat tussen het besluit en de belangenaantasting. Anders dan de minister meent, geldt dit niet slechts voor personen die eigenaar dan wel verhuurder zijn van een pand dat is gelegen in de nabijheid van het tracé. Manroland ondervindt als huurster van en bedrijfsexploitant in het pand aan de Kuiperbergweg 50, direct naast het knooppunt Holendrecht (A9/A2), de (milieu)gevolgen vanwege het tracébesluit. Manroland heeft derhalve een rechtstreeks belang en dient daarom in dit geding als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb te worden aangemerkt.

[…] klik hier voor de volledige uitspraak

Gebiedsbescherming: Natura 2000-gebieden

2.68. Ingevolge artikel 15, tiende lid, van de Tracéwet – voor zover hier van belang en kort weergegeven – is artikel 19j, eerste tot en met derde lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) van overeenkomstige toepassing op het vaststellen van een tracébesluit, indien de handelingen waarop het tracébesluit betrekking heeft, gelet op de instandhoudingdoelstellingen voor het betrokken gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied als bedoeld in de Nbw 1998 kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen.

Ingevolge artikel 19j, van de Nbw 1998 – voor zover hier van belang en kort weergegeven – houdt de minister bij het nemen van een tracébesluit dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, rekening met de gevolgen die het tracébesluit kan hebben voor het gebied.

Ingevolge genoemd artikel 19j, tweede lid, samen met artikel 15, tiende lid, van de Tracéwet – voor zover hier van belang en kort weergegeven – dient voor een tracébesluit dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied een passende beoordeling van de gevolgen voor het desbetreffende gebied te worden gemaakt.

2.68.1. In de nabijheid van het tracé liggen vijf Natura 2000-gebieden. De handelingen waarop het tracébesluit betrekking heeft, kunnen de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de Natura 2000-gebieden verslechteren of kunnen een significant verstorend effect hebben op de soorten waarvoor een gebied is aangewezen. Gelet daarop is een passende beoordeling als bedoeld in artikel 19j, tweede lid, van de Nbw 1998 opgesteld. De passende beoordeling, van 20 december 2010, heeft betrekking op de Natura 2000-gebieden ‘Naardermeer’, ‘Markermeer en IJmeer’, ‘Eemmeer en Gooimeer Zuidoever’, ‘Botshol’ en ‘Oostvaardersplassen’.

2.69. Manroland voert aan – samengevat weergegeven – dat in het kader van de passende beoordeling onvoldoende, dan wel op basis van onjuiste gegevens en uitgangspunten onderzoek is gedaan naar de gevolgen van het tracé voor Natura 2000-gebieden. [appellant sub 3] voert aan dat de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden niet is berekend.

2.69.1. Het tracébesluit en het wijzigingsbesluit zijn besluiten waarop de bepalingen van afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) van toepassing zijn.

Ingevolge artikel 1.9 van deze wet mag de administratieve rechter een besluit niet vernietigen op de grond, dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

2.69.2. De bepalingen van de Nbw 1998 hebben met name ten doel om [expand title = “het algemene belang van bescherming van natuur en landschap te beschermen.”] Norm moet ruim worden uitgelegd. Belangen van omwonenden/direct betrokkenen bij het behoud van een goede kwaliteit van de leefomgeving kunnen verweven zijn met het belang dat de Nbw 1998 beoogt te beschermen. [/expand]

Uit de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2011 in zaak nr. 201008514/1 volgt dat de belangen van omwonenden bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met de algemene belangen die de Nbw 1998 beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Nbw 1998 kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen.

2.69.3. De woning van [appellant sub 3] te Diemen bevindt zich op meer dan twee kilometer van het dichtstbijgelegen Natura 2000-gebied ‘Markermeer en IJmeer’ en wordt daarvan gescheiden door onder meer het Amsterdam-Rijnkanaal, het Diemerpark en de wijk IJburg te Amsterdam. Andere Natura 2000-gebieden bevinden zich op aanzienlijk grotere afstanden van haar woning. De Afdeling is van oordeel dat geen duidelijke verwevenheid van haar belang bij het behoud van een goede kwaliteit van haar leefomgeving met de algemene belangen die de Nbw 1998 beoogt te beschermen bestaat, zodat moet worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Nbw 1998 kennelijk niet strekken tot bescherming van de belangen van [appellant sub 3].

Manroland huurt een gedeelte van een kantoorgebouw dat is gelegen aan de Kuiperbergweg 50 te Amsterdam nabij het knooppunt Holendrecht (A9/A2). Het kantoorgebouw ligt niet in een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Botshol’ bevindt zich op meer dan drie kilometer van het kantoorgebouw. De normen van de Nbw 1998 strekken ook kennelijk niet tot bescherming van de belangen van Manroland in haar hoedanigheid van huurster van kantoorruimte in een dergelijke omgeving.

De betogen van Manroland en [appellant sub 3] over het onderzoek in de passende beoordeling, wat hier verder ook van zij, [expand title = “kunnen ingevolge artikel 1.9 van de Chw niet leiden tot vernietiging van het tracébesluit.”]

– Natura 2000-gebied ligt op ruim 2 kilometer afstand

– Geen verwevenheid van belang Manroland bij behoud goede kwaliteit leefomgeving (nabij het tracé) en de meer algemene belangen die de Nbw 1998 beoogt te beschermen in de daartoe aangewezen Natura 2000-gebieden.

– Manroland is huurster van een kantoorpand dat niet in noch in de nabijheid van een Natura 2000-gebied ligt. De normen van de Nbw 1998 strekken niet tot bescherming van de belangen van Manroland im haar hoedanigheid van huurster van kantoorruimte in een dergelijke omgeving. [/expand]

Daarom ziet de Afdeling af van een inhoudelijke bespreking daarvan.

Gebiedsbescherming: Ecologische Hoofdstructuur

2.70. Het tracébesluit voorziet in extra rijstroken en aanpassingen van knooppunten en toe- en afritten en dit leidt ertoe dat een aantal gebieden dat behoort tot de zogenoemde Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS) aan oppervlakte moet inleveren. Vanwege de negatieve gevolgen hiervan zijn in een aparte toets de effecten van het tracébesluit op deze gebieden onderzocht. De resultaten zijn neergelegd in het rapport “Toetsing EHS” van 20 december 2010.

2.70.1. Het rijksbeleid ten aanzien van EHS-gebieden is vervat in de Nota Ruimte. In paragraaf 3.3.5.1 van de Nota Ruimte is vermeld dat het beleid in de EHS is gericht op het behoud, herstel en de ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden in de EHS-gebieden. In de EHS geldt het zogenoemde “nee, tenzij-regime”. Dit regime houdt in dat nieuwe plannen, projecten of handelingen in de EHS niet zijn toegestaan indien deze de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten, tenzij er geen reële alternatieven zijn en er sprake is van redenen van groot openbaar belang. Voor ingrepen die aantoonbaar aan de criteria voldoen, geldt het vereiste dat de schade zoveel mogelijk moet worden beperkt door mitigerende maatregelen. Resterende schade dient te worden gecompenseerd.

Op PKB-kaart 5 van de Nota Ruimte is de globaal begrensde EHS weergegeven, die in de provinciale streekplannen nader dient te worden begrensd.

In paragraaf 3.3.5.3 van de Nota Ruimte worden voorwaarden gesteld aan de compensatie. Deze zijn nader uitgewerkt in “Spelregels EHS”. Uitgangspunt bij de compensatie is geen netto verlies aan wezenlijke kenmerken van het betreffende gebied in termen van areaal, kwaliteit en samenhang. Verder dient fysieke compensatie plaats te vinden aansluitend of nabij het gebied, onder de voorwaarde dat een duurzame situatie ontstaat. Wanneer fysieke compensatie aansluitend of nabij het gebied onmogelijk is, vindt compensatie plaats door de realisering van kwalitatief gelijkwaardige waarden dan wel door fysieke compensatie verder weg van het aangetaste gebied. Wanneer zowel fysieke compensatie als compensatie door kwalitatief gelijkwaardige waarden redelijkerwijs onmogelijk is, wordt financiële compensatie geboden. Verder is het tijdstip van het besluit over de ingreep ook het tijdstip waarop wordt besloten over aard, wijze en het tijdstip van mitigatie en compensatie.

2.71. Manroland betoogt – samengevat weergegeven – dat niet is voldaan aan de regels voor compensatie van schade aan EHS-gebieden die ontstaat vanwege de aanleg van het tracé, zodat de minister heeft gehandeld in strijd met het beleid ten aanzien van EHS-gebieden.

2.71.1. Het kantoorgebouw aan de Kuiperbergweg 50 te Amsterdam waarvan Manroland een gedeelte huurt ligt niet in een EHS-gebied en evenmin in de directe nabijheid daarvan.

Zoals hiervoor is overwogen is het [expand title = “beleid voor EHS-gebieden gericht op het behoud, herstel en de ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van EHS-gebieden.”] Het beleid voor EHS-gebieden is gericht op behoud, herstel en de ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van EHS-gebieden. Het beleid heeft met name tot doel het algemene belang van instandhouding van landschap en natuur te dienen. [/expand]

Het beleid, waaronder ook de “Spelregels EHS” waarin de regels voor compensatie van schade aan EHS-gebieden zijn neergelegd, heeft met name ten doel het algemene belang van instandhouding van natuur en landschap te dienen. Hieruit vloeit voort dat de “Spelregels EHS” kennelijk niet strekken tot bescherming van de belangen van Manroland in haar hoedanigheid van huurster van kantoorruimte in de desbetreffende omgeving. Daarom kan het betoog van Manroland over de compensatie van schade aan EHS-gebieden, wat hier verder ook van zij, [expand title = “ingevolge artikel 1.9 van de Chw niet leiden tot vernietiging van het tracébesluit.”] Het beleid voor EHS-gebieden is niet gericht op bescherming van belangen van Manroland in haar hoedanigheid van huurster van kantoorruimte. Het betoog van Manroland kan niet leiden tot vernietiging van het tracébesluit. [/expand]

De Afdeling ziet af van een inhoudelijke bespreking van hetgeen Manroland ter zake aanvoert.

2.72. De polder De Ronde Hoep maakt deel uit van de Ecologische Hoofdstructuur. Het oppervlak van de EHS in deze polder wordt verkleind als gevolg van de aanleg van een brandstofverkooppunt met verzorgingsplaats aan de zuidelijke hoofdrijbaan van de A9 ter hoogte van Ouderkerk aan de Amstel, als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van het tracébesluit.

2.72.1. [appellant sub 19] en anderen en Stichting BA kunnen zich niet verenigen met de verplaatsing van het hiervoor bedoelde brandstofverkooppunt naar het EHS-gebied polder De Ronde Hoep. [appellant sub 19] en anderen voeren aan dat de vestiging van het brandstofverkooppunt in De Ronde Hoep in strijd is met het EHS-beleid, aangezien er geen groot openbaar belang is gemoeid met de realisatie van een brandstofverkooppunt met verzorgingsplaats op de voorziene locatie. In dit verband betogen [appellant sub 19] en anderen dat nut en noodzaak van een brandstofverkooppunt met verzorgingsplaats en wasstraat in De Ronde Hoep niet zijn aangetoond. Verder betogen [appellant sub 19] en andere onder meer dat de compensatie ten onrechte niet plaatsvindt in de polder De Ronde Hoep. Daarnaast is volgens hen niet duidelijk op welke wijze de financiële compensatie ten goede komt aan De Ronde Hoep. Ook Stichting BA voert aan dat de compensatie van de aantasting van De Ronde Hoep ontoereikend is.

2.72.2. Niet in geschil is dat de realisatie van een brandstofverkooppunt aan de rand van het EHS-gebied De Ronde Hoep kan worden beschouwd als een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. Op grond van het EHS-beleid is deze aantasting alleen toegestaan wanneer er geen reële alternatieven zijn en er sprake is van redenen van groot openbaar belang.

Zoals in de rechtsoverwegingen 2.26 en volgende is vermeld, heeft de minister alternatieve locaties voor de vestiging van een brandstofverkooppunt onderzocht, maar bleek geen van deze locaties geschikt vanwege – kort samengevat – ruimtegebrek. In hetgeen [appellant sub 19] en anderen hebben aangevoerd en gelet op het verhandelde ter zitting ziet de Afdeling in dit verband geen aanleiding voor een andersluidend oordeel.

2.72.3. Tegen de achtergrond van hetgeen onder rechtsoverweging 2.26 en volgende is overwogen over nut en noodzaak van de realisatie van een brandstofverkooppunt en het beleid dat is neergelegd in de Kennisgeving Voorzieningen op verzorgingsplaatsen langs rijkswegen is de Afdeling van oordeel dat de minister redenen van groot belang aanwezig heeft kunnen achten voor de realisatie van een brandstofverkooppunt met verzorgingsplaats in De Ronde Hoep. Ter zitting heeft de minister gesteld dat bij het brandstofverkooppunt in De Ronde Hoep geen wasstraat zal worden aangelegd en dat ook de verzorgingsplaats een beperkte oppervlakte heeft. Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de aantasting van het EHS-gebied De Ronde Hoep zich in zoverre niet verdraagt met het beleid, zoals neergelegd in de Nota Ruimte.

2.72.4. Gelet op het “nee, tenzij-regime”, dat geldt in de EHS, moet vervolgens worden beoordeeld of het tracébesluit voorziet in voldoende mitigerende maatregelen en indien nodig compenserende maatregelen om de schade aan de wezenlijk kenmerken en waarden van de EHS zoveel mogelijk te beperken dan wel te compenseren. In het rapport Toetsing EHS is vastgesteld dat met de aanleg van het brandstofverkooppunt met verzorgingsplaats in de polder De Ronde Hoep zes hectare aan weidevogelgebied verloren gaat.

2.72.5. Ingevolge artikel 11, eerste lid, tabel 6 onder 2 van het tracébesluit wordt de aantasting van zes hectare grasland in De Ronde Hoep en Bullewijk gecompenseerd door van het inrichten van twee hectare grasland bij de A9 in de Bullewijkerpolder en daarnaast met financiële compensatie door middel van een overeenkomst ten behoeve van langjarig weidevogelbeheer, die wordt afgesloten met de provincie Noord-Holland.

2.72.6. Anders dan [appellant sub 19] en anderen en Stichting BA menen, is de minister op grond van de Spelregels EHS niet gehouden om compenserende maatregelen te treffen in De Ronde Hoep. Bovendien is een financiële compensatie op grond van de Spelregels EHS toegelaten. Over de wijze van financiële compensatie heeft de minister naar voren gebracht dat een stichting wordt opgericht voor het beheer van de financiële compensatie. De minister brengt naar voren dat binnen die stichting de agrarische natuurvereniging Amstelland nauw zal samenwerken met de natuurvereniging Vechtvallei, zodat op deze manier wordt bevorderd dat de compensatie daar plaatsvindt waar dat nodig wordt geacht. Ter zitting heeft de minister desgevraagd naar voren gebracht dat de voor de compensatie benodigde gronden zijn aangekocht.

2.72.7. Gelet op het voorgaande kan niet worden geoordeeld dat de minister zich niet in redelijkheid heeft kunnen beperken tot de in artikel 11, eerste lid, van het tracébesluit opgenomen compenserende maatregelen voor De Ronde Hoep.

2.73. HHG betoogt dat de compensatie van de natuur die als gevolg van de verbreding van de A6 verloren gaat, moet plaatsvinden in het gebied waar deze natuur verloren gaat. Volgens HHG is de in het tracébesluit opgenomen natuurcompensatie in het Oostvaarderswold in strijd met een intentieovereenkomst van 18 december 2008 tussen de staat, de gemeente Almere en de provincie Flevoland. Daarnaast betoogt HHG dat de natuurcompensatie in het Oostvaarderswold onvoldoende is verzekerd. Zij wijst er in dit verband op dat staatssecretaris Bleker tijdens een spoeddebat in de Tweede Kamer van 17 februari 2011 naar voren heeft gebracht dat de natuurzone Oostvaarderswold wordt opgeheven.

2.73.1. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van het tracébesluit worden, om de negatieve effecten op natuur te compenseren, de in tabel 6 vermelde maatregelen genomen. Ingevolge tabel 6 onder 9 wordt in het deelgebied A6 inclusief knooppunt Muiderberg tot en met aansluiting Almere Buiten Oost vanwege de aantasting van 89 hectare EHS-gebied 133 hectare nabij robuuste ecologische verbindingszone Oostvaarderswold gecompenseerd.

2.73.2. De Afdeling overweegt dat de Nota Ruimte noch wet- en regelgeving verplicht om aantasting van EHS te compenseren op dezelfde locatie waar de aantasting plaatsvindt. Op grond van de Spelregels EHS is compensatie verder weg van het aangetaste gebied toegestaan, indien compensatie aansluitend of nabij het aangetaste gebied onmogelijk is.

De minister stelt dat door de verbreding van de A6 89 hectare EHS-gebied wordt aangetast, waaronder een deel van het Kromslootpark. Deze aantasting wordt volgens de minister gecompenseerd door de verwerving van 133 hectare aan gronden nabij de robuuste ecologische verbindingszone Oostvaarderswold. Deze gronden worden ingericht als bos en moeras, aldus de minister. De minister stelt voorts dat er binnen de gemeente Almere geen andere dichterbij gelegen locaties geschikt zijn om de natuurcompensatie van 89 hectare te realiseren. Het gebied het Oostvaarderswold is daarom volgens de minister de beste optie. Ten aanzien van de intentieovereenkomst stelt de minister dat de betrokken partijen op 1 juli 2009 hebben besloten deze overeenkomst niet te ondertekenen. In de concept-intentieovereenkomst is volgens de minister alleen een voorkeur uitgesproken voor compensatie uitsluitend op of in de nabijheid van het Kromslootpark. Nadien bleek echter dat deze compensatie niet mogelijk was, aldus de minister. Verder stelt de minister dat Rijkswaterstaat met betrekking tot de natuurcompensatie in het Oostvaarderswold een overeenkomst met de provincie Flevoland heeft gesloten en dat de provincie een inpassingsplan heeft vastgesteld voor het Oostvaarderswold. Volgens de minister is de in het tracébesluit opgenomen natuurcompensatie in het Oostvaarderwold voldoende verzekerd. Ter zitting heeft de minister onweersproken gesteld dat reeds een subsidie aan de provincie Flevoland is betaald voor de in het tracébesluit opgenomen compensatie in het Oostvaarderswold.

2.73.3. De Afdeling ziet in hetgeen HHG heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan het standpunt van de minister. Er is geen grond voor het oordeel dat de minister zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de compenserende maatregelen in zoverre toereikend zijn.

De beroepsgrond faalt.

2.74. De beroepsgronden van HHG, [appellant sub 19] en anderen en Stichting BA over de EHS falen.

Gebiedsbescherming polder De Ronde Hoep overigens

2.75. Polder De Ronde Hoep is niet alleen EHS-gebied, maar behoort ook tot de rijksbufferzone Amstelland-Vechtstreek en het nationale landschap “Het Groene Hart”. Daarnaast is het gebied in de Provinciale Milieuverordening van Noord-Holland aangewezen als stiltegebied.

2.76. [appellant sub 19] en anderen en Stichting BA voeren aan dat de realisatie van een brandstofverkooppunt met verzorgingsplaats in De Ronde Hoep in strijd is met het beleid ten aanzien van nationale landschappen, zoals neergelegd in de Nota Ruimte, aangezien er geen groot openbaar belang is gemoeid met de realisatie van een brandstofverkooppunt met verzorgingsplaats op de voorziene locatie. [appellant sub 19] en anderen en Stichting BA voeren verder aan dat de vestiging van een brandstofverkooppunt met verzorgingsplaats tevens in strijd is met het in de Nota Ruimte neergelegde beleid ten aanzien van rijksbufferzones. Volgens hen moeten deze zones op grond van dit beleid gevrijwaard blijven van woningbouw, moet verstedelijking worden tegengegaan en moet de dagrecreatieve functie worden versterkt. Zij wijzen er op dat het beleid omtrent rijksbufferzones ook in de ontwerp Algemene maatregel van bestuur Ruimte, van 29 mei 2009 (hierna: ontwerp AmvB Ruimte) is opgenomen. [appellant sub 19] en anderen en Stichting BA betogen dat de vestiging van een brandstofverkooppunt met verzorgingsplaats een vorm van verstedelijking is die niet is toegestaan op grond van artikel 3.3 van de ontwerp AmvB Ruimte. Volgens hen kan ook geen ontheffing worden verleend als bedoeld in artikel 3.6 van de ontwerp AmvB, aangezien geen sprake is van een groot openbaar belang. Voorts betwijfelen [appellant sub 19] en anderen en Stichting BA of – wanneer het brandstofverkooppunt met verzorgingsplaats wordt gerealiseerd in De Ronde Hoep – wordt voldaan aan de geluidnormen die in de provinciale milieuverordening zijn gesteld ten aanzien van stiltegebieden. Ten slotte voeren [appellant sub 19] en anderen en Stichting BA aan dat de vestiging van een brandstofverkooppunt met verzorgingsplaats in De Ronde Hoep in strijd is met het beleid ten aanzien van de bescherming van de Amstelscheg, dat onder meer is gericht op het behouden van het groene en open karakter van het veenweidelandschap. Verder wijzen zij er nog op dat de voormalig minister van LNV Amstelland in 2008 heeft aangewezen als voorbeeldproject “investeren in landschap”.

2.76.1. De Afdeling overweegt allereerst dat het beleid ten aanzien van nationale landschappen en rijksbufferzones is neergelegd in de Nota Ruimte. Voor nationale landschappen geldt in algemene zin dat binnen nationale landschappen ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk zijn, mits de kernkwaliteiten van het landschap worden behouden of worden versterkt (“ja, mits-regime”). In rijksbufferzones geldt, voor zover hier van belang, dat ruimtelijke ontwikkelingen in deze gebieden mogelijk zijn, mits de landschappelijke en recreatieve kwaliteiten daardoor niet worden aangetast en het niet gaat om verstedelijking. Het beleid ten aanzien van de Amstelscheg is vervat in de “Ontwikkelstrategie voor de Amstelscheg”. Daarin is een aantal doelstellingen geformuleerd, zoals bescherming en verfraaiing van het veenweide landschap met strenge bescherming van zichtlijnen. Verder zijn voor een aantal gebieden, waaronder De Ronde Hoep, ontwikkelkansen geformuleerd.

2.76.2. De Afdeling stelt vast dat in het kader van het “nee, tenzij-regime” een verstrekkender toets moet worden aangelegd dan die geldt in het kader van het hierboven vermelde beleid in nationale landschappen, rijksbufferzones en het beleid ten aanzien van de Amstelscheg. [appellant sub 19] en anderen en Stichting BA hebben niet aannemelijk gemaakt dat de minister het tracébesluit wegens strijd met deze beleidskaders in redelijkheid niet heeft kunnen nemen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de realisatie van een brandstofverkooppunt met verzorgingsplaats in De Ronde Hoep geen vorm van verstedelijking is. Voorts hebben [appellant sub 19] en anderen en Stichting BA het standpunt van de minister dat – kort samengevat – het brandstofverkooppunt en verzorgingsplaats worden ingepast in de omgeving en dat mede gelet daarop noch strijd bestaat met het hetgeen is vermeld in de Ontwikkelstrategie voor de Amstelscheg noch met het project investeren in landschap, niet gemotiveerd bestreden. Voor zover volgens [appellant sub 19] en anderen en Stichting BA de ‘artist impressions’ van de inpassing van het brandstofverkooppunt in de omgeving niet juist zijn, overweegt de Afdeling dat deze ‘artist impressions’ geen onderdeel uitmaken van het tracébesluit en in zoverre in deze procedure niet aan de orde zijn.

2.76.3. Ten aanzien van de verwijzing van [appellant sub 19] en anderen en Stichting BA naar bepalingen in de ontwerp AmvB Ruimte, overweegt de Afdeling dat het een conceptbesluit betreft. Strijd met een regel van een conceptbesluit, wat daar ook verder van zij, kan geen grond voor vernietiging van het tracébesluit vormen.

2.76.4. Wat betreft de geluidnormen die gelden in stiltegebieden, overweegt de Afdeling dat uit artikel 5.2.1, eerste lid, van de Provinciale Milieuverordening van Noord-Holland in samenhang gelezen met bepaling 1, aanhef en onder a, en bepaling 4.1, aanhef en onder a van bijlage 7, volgt dat ten aanzien van bevoegdheden van organen van het rijk de grenswaarden die gelden voor stiltegebieden niet in acht hoeven te worden genomen en geen rekening hoeft te worden gehouden met de richtwaarden. De minister behoefde daarom bij het vaststellen van het tracébesluit geen rekening te houden met de richtwaarden en behoefde ook de grenswaarden niet in acht te nemen.

2.77. De beroepsgronden van [appellant sub 19] en anderen en Stichting BA over gebiedsbescherming polder De Ronde Hoep falen.

Compensatie op grond van de Boswet

2.78. Manroland voert aan dat het tracébesluit in strijd is met de Boswet omdat onvoldoende is gewaarborgd dat de bomen die vanwege de aanleg van het tracé in het Amsterdamse Bos moeten worden gekapt daadwerkelijk worden herplant.

2.78.1. Het kantoorgebouw aan de Kuiperbergweg 50 te Amsterdam waarvan Manroland een gedeelte huurt ligt op meer dan zes kilometer van het Amsterdamse Bos.

De bepalingen van de [expand title = “Boswet over herplant na de kap van bomen strekken met name tot het behoud van het bosareaal – in dit geval van het Amsterdamse Bos – in verband met de economische, klimatologische en recreatieve waarden daarvan.”]

De bepalingen in de Boswet, meer in het bijzonder de bepalingen over herplant na de kap van bomen strekken tot het behoud van bosareaal in verband met de economische, klimatologische en recreatieve waarden daarvan. [/expand]

Deze bepalingen strekken kennelijk niet tot bescherming van de belangen van Manroland in haar hoedanigheid van huurster van kantoorruimte in de desbetreffende omgeving. Daarom kan het betoog van Manroland over de herplant van bomen die vanwege de aanleg van het tracé in het Amsterdamse Bos moeten worden gekapt [expand title = “ingevolge artikel 1.9 van de Chw niet leiden tot vernietiging”]

Het kantoorgebouw aan de Kuiperbergweg 50 ligt op ruim 6 km van het Amsterdamse Bos dat valt onder de bescherming van de Boswet. De bepalingen in de Boswet strekken niet tot bescherming van de belangen van Manroland in haar hoedanigheid van huurster van kantoorruimte in de omgeving. Om die reden kan het betoog van Manroland om de herplant van bomen die gekapt moeten worden vanwege het tracé niet leiden tot vernietiging van het tracébesluit. [/expand]

van het tracébesluit. De Afdeling ziet af van een inhoudelijke bespreking van hetgeen Manroland terzake aanvoert.

2.79. Stichting AGG betoogt dat onvoldoende vaststaat dat de compensatie vanwege de aantasting bij de Gaasperdammerweg plaatsvindt op de tunneltaluds van de voorziene Gaasperdammertunnel. Zij wenst dat de compensatie plaatsvindt in de nabije omgeving, aangezien in het verleden al veel bomen en beplanting in de omgeving zijn weggehaald. Daarnaast wenst zij dat het tracé landschappelijk wordt ingepast met bomen en planten die al een redelijke hoogte hebben.

2.79.1. De minister stelt zich op het standpunt dat voor de realisatie van de tunnel ter plaatse van de Gaasperdammerweg 12,7 hectare beplanting moet worden verwijderd. Ingevolge artikel 12, eerste lid, van het tracébesluit zal deze aantasting in een gelijk aantal hectare worden gecompenseerd in het Diemerbos en in het zoekgebied tussen de spoorlijn Amsterdam-Hilversum en de A1 bij knooppunt Diemen. In artikel 12, eerste lid, is tevens bepaald dat een deel van de 32,2 hectare bos die gekapt wordt op het traject Badhoevedorp- knooppunt Holendrecht zal worden gecompenseerd op de Gaasperdammertunnel. Verder stelt de minister dat de tunneltaluds zullen worden voorzien van begroeiing om de zichtbaarheid van de tunnel te verminderen. Dit is vastgelegd in artikel 13 van het tracébesluit, aldus de minister. Voorts wijst de minister erop dat met de gemeente Amsterdam is afgesproken dat de aanplant op de Gaasperdammertunnel en het talud in ieder geval zes hectare zal bedragen. Dit zal worden vastgelegd in een overeenkomst, aldus de minister. Verder stelt de minister dat er op grond van de Boswet geen verplichting geldt dat wanneer volwassen bomen worden gekapt ook volwassen bomen moeten worden herplant.

2.79.2. Het beroep van Stichting AGG komt erop neer dat zij een andere wijze van compensatie van de aantasting van de natuur bij de Gaasperdammerweg wenst dan in het besluit is voorzien. Uit hetgeen zij heeft aangevoerd, valt echter niet af te leiden dat de minister zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in het tracébesluit vastgestelde wijze van compensatie toereikend is.

2.79.3. De beroepsgrond van Stichting AGG over de compensatie faalt.

[…] klik hier voor de volledige uitspraak

Archeologisch onderzoek

2.84. Manroland voert aan – samengevat weergegeven – dat het aan het tracébesluit ten grondslag liggende onderzoek naar de gevolgen van de aanleg van het tracé voor archeologische monumenten gebrekkig is, zodat niet is voldaan aan de Monumentenwet 1988.

Stichting AGG voert aan dat in het archeologisch onderzoek is miskend dat zich in de nabijheid van de A9 archeologische waarden bevinden.

2.84.1. De toelichting bij het tracébesluit en de archeologische onderzoeken die aan het tracébesluit ten grondslag liggen geven er blijk van dat de minister de onderzoeksverplichting die voor de vaststelling van een bestemmingsplan voortvloeit uit de [expand title = “Monumentenwet 1998,”]

Artikel 38a van de Monumentenwet 1998 strekt tot behoud van archeologische monumenten. Daartoe geldt de verplichting om bij de vaststelling van ruimtelijke plannen (bestemmingsplannen en voorbereidingsbesluiten) rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. [/expand]

voor de vaststelling van het tracébesluit als uitgangspunt heeft gehanteerd. In dit verband is van belang dat het tracébesluit voor het daarin begrepen gebied ingevolge artikel 15, derde lid, van de Tracéwet geldt als voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 3.7 van de Wro en dat ingevolge artikel 15, achtste lid, van de Tracéwet binnen een jaar nadat het tracébesluit onherroepelijk is geworden een bestemmingsplan of een beheersverordening overeenkomstig het tracébesluit moet worden vastgesteld.

Ingevolge artikel 38a van de Monumentenwet 1988, voor zover hier van belang, houdt de gemeenteraad bij de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wro en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten.

2.84.2. Artikel 38a van de Monumentenwet 1988 strekt met name tot het behoud van monumenten van archeologie. Stichting AGG heeft volgens haar statuten ten doel – samengevat weergegeven – het verbeteren van het leefklimaat van omwonenden van de Gaasperdammerweg (A9). Artikel 38a van de Monumentenwet 1988 strekt daarom kennelijk niet tot de bescherming van de belangen waarvoor Stichting AGG in deze procedure bescherming zoekt. Deze bepaling strekt evenmin kennelijk tot bescherming van de belangen van Manroland in haar hoedanigheid van huurster van kantoorruimte. De betogen van Stichting AGG en Manroland over het aan het tracébesluit ten grondslag liggende onderzoek naar archeologische monumenten kunnen daarom [expand title = “ingevolge artikel 1.9 van de Chw niet leiden tot vernietiging van het tracébesluit.”]

De bepalingen rondom de bescherming van archeologische monumenten strekken niet tot het verbeteren van hetleefklimaat langs de Gaasperdammerweg, waarvoor appellanten opkomen. Die bepalingen strekken evenmin tot bescherming van de belangen van Manroland in haar hoedanigheid van huurster. De betogen van beide appellanten over het beweerdelijk tekortschietende onderzoek naar de archeologische monumenten, kunnen daarom niet tot vernietiging leiden van het tracébesluit. [/expand]

De Afdeling ziet af van een inhoudelijke bespreking van hetgeen Stichting AGG en Manroland ter zake aanvoeren.

[…] klik hier voor de volledige uitspraak

Conclusie

2.109. De beroepen zijn, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Proceskosten

2.110. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 40] en de vereniging Groot-Geerdinkhof Vereniging van Huiseigenaren en de stichting Stichting Natuurontwikkeling Bijlmerweide niet-ontvankelijk;

II. verklaart de overige beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.G. Timmerman, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Timmerman voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2012

431-375-584-590-632