Https://inzicht.pelsrijcken.nl maakt gebruik van cookies voor webanalyse en social media sharing. Google Analytics analyseert met behulp van cookies hoe de website wordt gebruikt. Daarnaast toont Https://inzicht.pelsrijcken.nl knoppen om informatie te delen op sociale media. Deze knoppen worden enkel weergegeven als u toestemming geeft cookies te plaatsen op uw computer. Meer informatie vindt u in ons privacy statement.
weigeren accepteren

Kühne & Heitz (HvJEU 13 januari 2004, C-453/00)

Ingevolge het in artikel 4, lid 3 VEU (vroeger artikel 10 EG) vervatte samenwerkingsbeginsel moet een bestuursorgaan een besluit met formele rechtskracht desgevraagd opnieuw onderzoeken om rekening te houden met de uitlegging die het HvJEU inmiddels aan de relevante bepaling van Unierecht heeft gegeven, wanneer:

1.  Het bestuursorgaan naar nationaal recht bevoegd is om op dat besluit terug te komen;

2.  Het in geding zijnde besluit definitief is geworden ten gevolge van een uitspraak van een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep;

3.  Voormelde uitspraak, gelet op latere rechtspraak van het HvJEU, berust op een onjuiste uitlegging van het Unierecht, gegeven zonder dat het HvJEU is verzocht om een prejudiciële beslissing, en;

4.  De betrokkene zich tot het bestuursorgaan heeft gewend onmiddellijk na van die rechtspraak kennis te hebben genomen.

Europese rechtspraak die uit deze uitspraak is voortgevloeid hebben geleid tot de volgende aanvullingen/preciseringen:

Kapferer (HvJEU 16 maart 2006, C-234/04):

Het uit artikel 10 EG/ artikel 4, lid 3 VEU voortvloeiende samenwerkingsbeginsel gebiedt een nationale rechter niet, nationale procedureregels buiten toepassing te laten teneinde een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing te onderzoeken en te vernietigen wanneer deze in strijd met het Unierecht blijkt te zijn.

•   Het ging in deze zaak niet om een ‘Kühne & Heitz’ situatie, nu niet voldaan is aan de voorwaarde dat het bestuursorgaan naar nationaal recht bevoegd is om op dat besluit terug te komen.

•   Belang van het beginsel van kracht van gewijsde maakt dat rechterlijke beslissingen die definitief zijn geworden nadat de beschikbare beroepsmogelijkheden zijn uitgeput of nadat de beroepstermijnen zijn verstreken niet opnieuw aan de orde kunnen worden gesteld, ook niet als daardoor een schending van het Unierecht zou kunnen worden opgeheven.

i-21 Germany en Arcor (HvJEU 19 september 2006, C-392/04 en C-422/04):

Het samenwerkingsbeginsel ex artikel 10 EG/ artikel 4, lid 3 VEU verplicht de nationale rechter om te beoordelen of een duidelijk met het Unierecht onverenigbare regeling kennelijk onrechtmatig is in de zin van het betrokken nationale recht. Is dat het geval dan is een bestuursrechter verplicht hieraan de alle consequenties te verbinden overeenkomstig het nationale recht.

•   Geen Kühne & Heitz situatie, want niet alle ter beschikking staande rechtsmiddelen waren uitgeput.

•   Desalniettemin kunnen schending van het doeltreffendheidsbeginsel of het gelijkwaardigheidsbeginsel aanleiding geven tot heroverweging, indien het volgens nationaal recht mogelijk is naar nationaal recht onrechtmatige bestuurshandelingen in te trekken.

Kempter KG (HvJEU 12 februari 2008, C-2/06):

(a)  Nadere uitleg van de derde ‘Kühne & Heitz’ voorwaarde dat de definitief geworden uitspraak, gelet op latere rechtspraak van het HvJEU, dient te berusten op een onjuiste uitlegging van het Unierecht, gegeven zonder dat het HvJEU is verzocht om een prejudiciële beslissing:

Deze voorwaarde is niet uitsluitend vervuld indien de verzoeker in het hoofdgeding zich op het Unierecht heeft beroepen in het kader van het door hem tegen het betrokken bestuursbesluit ingestelde beroep in rechte. Voldoende is dat de nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep het punt van Unierecht waarvan de uitlegging onjuist is gebleken, heeft onderzocht dan wel ambtshalve door haar had kunnen worden opgeworpen.

(b)  Nadere uitleg van de vierde ‘Kühne & Heitz’ voorwaarde dat de betrokkene zich tot het bestuursorgaan heeft gewend onmiddellijk na van die rechtspraak kennis te hebben genomen:

Het Unierecht voorziet niet in een beperking in de tijd voor de indiening van een verzoek tot heronderzoek van een definitief geworden bestuursbesluit. Het staat de lidstaten evenwel vrij om in overeenstemming met de communautaire beginselen van doeltreffendheid en gelijkwaardigheid redelijke beroepstermijnen vast te stellen.

Olimpiclub Srl (HvJEU 3 september 2009, C-2/08):

•   Het Hof houdt rekening met de bijzonderheden van de situaties en de betrokken belangen teneinde een evenwicht te vinden tussen het vereiste van de rechtszekerheid en het vereiste van de rechtmatigheid uit oogpunt van het Unierecht.

•   In deze zaak ging het om een definitief geworden rechterlijke uitspraak die berust op een met het Unierecht strijdige uitlegging van de communautaire voorschriften betreffende misbruik inzake de belasting over de toegevoegde waarde. Toepassing van het beginsel van formele rechtskracht heeft tot gevolg dat de onjuiste toepassing van deze regels wordt herhaald voor elke nieuw belastingjaar, zonder dat deze onjuiste uitlegging kan worden bijgestuurd.

•   Hof: dermate grote belemmeringen van de daadwerkelijke toepassing van de Unieregels kunnen niet redelijkerwijs worden gerechtvaardigd door het rechtszekerheidsbeginsel en moeten dus in strijd met het doeltreffendheidsbeginsel worden geacht.

Nationale rechtspraak op grond van Kühne & Heitz:

•   Indien het bestreden besluit niet in rechte onaantastbaar is geworden door een uitspraak van de hoogste nationale rechter, maar doordat daartegen geen rechtsmiddel is aangewend, kan niet met vrucht een beroep worden gedaan op Kühne & Heitz (CRvB 4 januari 2006, AB 2006, 180).

•   Indien de beschikbare nationale rechtsmiddelen niet zijn uitgeput wordt niet voldaan aan de voorwaarden van Kühne & Heitz, waardoor de formele rechtskracht van het besluit dient te worden doorbroken (HR 7 december 2007, JB 2007, 217).

•   Geen doorbreking formele rechtskracht vanwege een later gewezen arrest van het Hof van Justitie (herziening alleen bij feiten en omstandigheden die plaatsvonden vóór de te heroverwegen rechterlijke uitspraak) (HR 24 juni 2011, AB 2011, 175).

•   De inhoud van inmiddels tot stand gekomen jurisprudentie over een kennelijke fout (waardoor EU-recht onjuist zou zijn toegepast) kan niet gelden als nieuw feit of veranderde omstandigheid in de zin van 4:6 Awb, waarom de formele rechtskracht van een rechtens onaantastbaar besluit zou moeten worden doorbroken (CBb 19 september 2012, LJN BX9471).